Gekozen formateur: SGP bestrijdt D66 met Van Mierlo
Het voorstel de kabinets(in)formateur te laten voordragen door de Tweede Kamer is een "flauwekul-oplossing die leit tot geheimzinnigheid en konkelarij." Dat zei SGP-kamerlid Van der Staaij over het initiatief van D66 en GL om het reglement van orde Van de Tweede Kamer aan te passen om zo de kabinets(in)formateur te kunnen laten kiezen. Van der Staaij citeerde daarbij de onlangs overleden D66-oprichter Hans van Mierlo, die dit een wangedrocht vond. De SGP ziet er niets in. Het leidt tot vertraging van de formatie. Het haalt de aftrap weg bij de koningin, de meest onpartijdige instantie in Nederland. En het is niet eens nodig want de Tweede Kamer kan nu al, als zij dat wil, besluiten om een (in)formateur voor te dragen.
Initiatief-Van der Ham/Van Gent
Kabinets(in)formateur(s)
C.G. van der Staaij
1 april 2010
Laat ik beginnen met een citaat. Dat citaat luidt: “….het door de Kamer aanwijzen van een (in)formateur is één grote flauwekul-oplossing, een schijnvernieuwing die waarschijnlijk aanleiding zal geven tot nog grotere geheimzinnigheid en konkelarij. Een oplossing die de kabinetsformatie zal ophouden. Mijn fractie vindt deze oplossing niets en heeft er dan ook tegen gestemd. Maar de meerderheid van de Kamer bleek, ondanks alle wijze raad, in haar tomeloze vernieuwingsdrift niet meer te remmen. En of wij nu hoog springen of laag, of wij het leuk vinden of niet, de Kamer heeft de motie aangenomen.”
De flauwekul-oplossing waar deze spreker het over heeft, is de motie-Kolfschoten. Die werd in 1971 werd ingediend en aanvaard. De Tweede Kamer zou gaan debatteren over een door de Kamer bij de koningin voorgedragen kabinetsformateur. Een “flauwekul-oplossing, leidend tot nog grotere geheimzinnigheid en konkelarij.” Diezelfde spreker veegde de vloer aan met het voorstel dat vandaag wordt verdedigd door de kamerleden van der Ham en Van Gent. Hij zei: -ik citeer weer- “De mystificatie die er op het paleis was, wordt nu een mystificatie hier in het parlement, en het is de vraag wat erger is.”
De spreker waar ik het nu over heb is niemand minder dan de vorige maand overleden, door velen zeer geprezen democraat in hart en nieren, D66-kamerlid Hans van Mierlo. Hij sprak deze woorden uit op 12 mei 1971, de dag waarop de Tweede Kamer debatteerde over de aanwijzing van een kabinetsinformateur. Dat debat duurde een hele dag, en leverde, op veel politieke verwarring en geharrewar, nul komma nul op. Een vertoning waar nog jaren over is nagepraat – en dat niet in gunstige zin!
Van Mierlo moest, zo blijkt wel uit dit citaat, niets hebben van een door de Tweede Kamer voorgedragen formateur of informateur. Halfbakken oplossingen, daar hield de D66’er van het eerste uur niet van. Of je doet het – in zijn ogen - goed, en laat het volk de minister-president kiezen, óf je laat de situatie zoals die is.
In het licht van deze opmerkingen en de gang van zaken sindsdien, zal het u niet verbazen dat ik als woordvoerder van de SGP-fractie kies voor de tweede optie: keine Experimente, zei Konrad Adenauer ooit, en al helemaal geen experimenten die al uitgeprobeerd, maar mislukt zijn. Je zou dat een gezond conservatieve insteek kunnen noemen: wat goed bevonden is goed laten. Je verandert dingen alleen als dat aantoonbaar noodzakelijk is: als er dingen mis gaan of als er problemen rijzen die met de bestaande middelen niet meer opgelost kunnen worden. Die houding is al met al zo gek nog niet.
In het licht van het bovenstaande zou dan ook voor de hand hebben gelegen dat de indieners van het voorstel dat we vandaag bespreken, zouden hebben duidelijk gemaakt wat er nu eigenlijk zo mis is met de huidige gang van zaken tijdens de kabinetsformatie. Ik moet bekennen dat ik in de stukken lezend nog niet een begin van een antwoord heb gelezen. Daarom vraag ik de initiatiefnemers om uit te leggen wat er op dit moment aan schort, waar de kabinetsformatie tot problemen aanleiding geeft. Ik wil graag horen: waar liggen de concrete knelpunten? Waar is het in het verleden mis gegaan?
In dat verband wil ik nog wel opmerken dat de memorie van Toelichting wel erg magertjes is, niet alleen qua omvang, maar ook als ik kijk naar de inhoud ervan. Ruim de helft van de Toelichting bestaat uit niet meer dan een opsomming van alle eerdere pogingen om de kabinets(in)formateur door de Kamer te laten kiezen. Stuk voor stuk liepen al die probeersels stuk, wat bij mij de indruk versterkt dat dit voorstel niet anders is dan een, zoals Van Mierlo zei, “flauwekul-oplossing” voor een niet-bestaand probleem.
De kabinetsformatie is in Nederland, land van minderheden waar na verkiezingen naar werkbare meerderheden moet worden gezocht, grotendeels een zaak van ongeschreven staatsrecht. De kunst daarbij is altijd werkbare coalities te smeden die kunnen rekenen op het vertrouwen van, in ieder geval vruchtbare samenwerking met een meerderheid van de volksvertegenwoordiging. De beginfase van de formatie van een nieuw kabinet op basis van de uitslag van de verkiezingen voor de Tweede Kamer voltrekt zich volgens procedures en ‘regels’ die in de loop van de tijd hun waarde hebben bewezen, en gemakkelijk konden worden aangepast aan de eisen van de tijd. Daarmee kon er toch ingesprongen worden op nieuwe wensen en inzichten. Dat is hét grote voordeel van ongeschreven staatsrecht: continuïteit met de mogelijkheid van aanpassing als dat wenselijk wordt gevonden.
In dat verband is het ook al in de stukken opgemerkt: wat de indieners materieel wensen, te weten een door de Tweede Kamer aangewezen kabinets(in)formateur, kan nu reeds worden gerealiseerd. Wet, Reglement van Orde noch het ongeschreven staatsrecht verzetten zich ertegen als de meerderheid van een nieuw gekozen Kamer besluit om inderdaad te gaan debatteren over de aanwijzing van een (in)formateur. Alleen is het nu geen ‘ijzeren harnas’ om het zo te doen, en dat is wel wat de indieners willen. Dit terwijl in het verleden juist een mislukking is geworden. Toen de Kamer in 1971 een dag lang debatteerde over de aanwijzing van een formateur, konden de kersverse politieke leiders even later met hangende pootjes weer richting Hare Majesteit gaan.
Nu ik het toch over de koningin heb: in de nota naar aanleiding van het verslag wijden de indieners op vragen van enkele fracties een groot aantal woorden aan de constitutionele monarchie en de vraag in hoeverre hun voorstel een uitholling betekent van de rol van het staatshoofd. Daarin stellen zij dat de rol van het staatshoofd ongewijzigd blijft. Ter adstructie van deze stelling voeren zij aan dat –ik vertaal het nu maar even met mijn eigen woorden- de koningin nooit langer kan springen dan de polsstok lang is die de politici haar aanreiken bij de consultatieronde vlak na de verkiezingen.
Ik hoop niet dat de indieners het me kwalijk nemen, maar ik heb er behoefte aan te zeggen dat ik deze bezwerende woorden met gepaste argwaan beluister. De partijen van de indieners hebben er in het verleden nooit een geheim van gemaakt dat zij, in hun behoefte aan een democratisch proces dat tot ver achter de komma kloppend moet zijn, de rol van het staatshoofd in een moderne democratie zo veel mogelijk willen terugdringen. Liefst alleen ceremoniële functies, dat is wat partijen als D66 en GroenLinks altijd hebben betoogd. Dat mag van mij, dat is hun goede democratische recht, maar ik vind het in dat licht bezien enigszins –hoe zeg ik dat nu vriendelijk- bevreemdend dat het nu wordt voorgesteld alsof dit voorstel niets, maar dan ook helemaal niets met deze achtergedachte te maken heeft.
Ik wil nog kort stil staan bij een drietal punten alvorens ik tot een afronding kom.
Allereerst betreft dat de positie van de Kamervoorzitter. Terecht wijst de vice-president van de Raad van State erop dat de voorzitter van de Tweede Kamer een andere rol krijgt. De indieners onderschrijven die conclusie. Die rol wordt niet minder belangrijk, maar juist méér. Stelt u zich dit in de praktijk nu eens voor. Op de dag dat een nieuw gekozen Kamer voor het eerst samenkomt, staan er op de agenda van de verse en nog wat onwennige nieuwe Kamer twee agendapunten: 1: de verkiezing van een nieuwe voorzitter, en aansluitend daarop 2. het ‘formateursdebat’. De kans is daarbij aanwezig dat dat laatste debat, vol onzekerheden maar politiek uiterst relevant, geleid wordt door een voorzitter die nog ‘groen achter de oren is’ - in ieder geval een voorzitter die nog onwennig is na de turbulentie van de weken en dagen ervoor. Ik acht dat zeer onwenselijk, en al helemaal in het licht van het feit dat de bestaande procedure juist heel veel garanties biedt dat de aftrap van de formatie wordt verricht door een ervaren ‘scheidsrechter’, die zich daarbij baseert op een reeks politieke en niet-politieke consultaties. Ik zeg het maar ronduit: op zo’n moment geef ik er de voorkeur aan de koningin, na de ingewonnen adviezen, de eerste zet te laten doen op het politieke schaakbord. Als er één is die boven de partijen staat en daarin getraind is als geen ander, is zij het wel.
Het tweede punt is en blijft voor mijn fractie lastig: het tijdverlies dat optreedt als de voorstellen van de initiatiefnemers worden aangenomen. Met de huidige procedure kan de kabinetsformatie reeds starten op de eerste en/of tweede dag van de verkiezingsdatum. De door de initiatiefnemers voorgestelde procedure leidt tot een vertraging van minstens acht dagen. En als er nu zicht zou zijn op een verkorting van die termijn, zou dat nog overkomelijk zijn. Maar het ziet er niet naar uit dat, wil de zorgvuldigheid van het vaststellen van de definitieve verkiezingsuitslag niet in gevaar komen, deze termijn bekort kan worden. Dus ook hier geldt: tel uit je verlies!
Het laatste punt is de manier waarop de indieners hun wens willen realiseren: een wijziging van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer. In de stukken is daar al het nodige over gewisseld. Met dit voorstel wordt de kabinetsformatie de facto voor een deel ‘geregeld’ in het Reglement van orde van de Tweede Kamer. De SGP-fractie vindt dat deze formule niet bepaald de schoonheidsprijs verdiend. Zoals ook al door andere woordvoerders is betoogd, een Reglement van Orde van de Tweede Kamer is daar niet het juiste middel voor. Een Reglement van orde is toch meer een ‘intern’ stuk waarin de procedures wat betreft de werkwijze van het parlement, in dit geval de Tweede Kamer, zijn neergelegd.
Ik zei het zoëven al: dit voorstel is, gemeten vanaf 1969 gerekend, het zevende in veertig jaar – als ik wel geteld heb. Eens in de vijf, zes jaar duikt het wel weer op. Zou het geen staatsrechtelijke vernieuwing zijn om nu eens een paar decennia lang niet meer over dit onderwerp te beginnen. Met Hans van Mierlo concludeer ik: dit is een “flauwekul-oplossing die leidt tot geheimzinnigheid en konkelarij.” Niet meer aan beginnen dus.
|