HomeActueelSenator Van Dijk over de Omgevingswet

Senator Van Dijk over de Omgevingswet

Publicatiedatum: 29 jan. 2020 | Eerste Kamer

Maandagavond debatteerde de Eerste Kamer over de Omgevingswet. Lees hier de spreektekst van SGP-senator Diederik van Dijk.

"Ooit schreef de Duitse dichter Goethe:  ‘Als je alle wetten zou moeten bestuderen, zou je geen tijd meer hebben ze te schenden.’ Kan de minister de Kamer verzekeren dat dit geen oogmerk van haar is geweest bij de majeure wetgevingsoperatie die wij nu onderhanden hebben?

Eerst wat fundamentele noties en vragen:

Kritiek RvS op kaderwetgeving
De Raad van State plaatste in haar jaarverslag over 2018 kritische noten bij kaderwetten. Tegenover bestuurlijke bewegingsruimte staat minder rechtszekerheid voor burgers. De Raad waarschuwt voor het doorschuiven van wetgevende macht van het parlement naar de regering. Ik citeer: ‘Deze rolopvatting van de wetgever zet het rechtsstatelijk kader – het fundament voor wetgeving – onder druk. De Raad geeft aan dat te gemakkelijk voorbij wordt gegaan aan de principiële vraag of de keuze voor kaderwetgeving hoe dan ook gerechtvaardigd is, gelet op het te ordenen maatschappelijk vraagstuk.

Ik citeer: ‘De Omgevingswet is daarvan het duidelijkste en meest verstrekkende voorbeeld.’ Het adviesorgaan tekent aan dat een eenvoudige rekensom laat zien dat 95% van de regelgeving niet door de wetgever, maar door de regering tot stand wordt gebracht, met ongekend grote beleidsruimte voor het bestuur. Wordt wel voldoende houvast geboden? Ik hoor graag de reactie van de minister op deze fundamentele kritiek. De SGP heeft ervoor gepleit in aanloop naar de Invoeringswet te kijken naar het alsnog opnemen van belangrijke normen in de Omgevingswet zelf. Dat is mijns inziens niet echt gebeurd. Graag een reflectie van de minister.

Vloeibaar openbaar bestuur?
De Omgevingswet stimuleert interbestuurlijke samenwerking op basis van prachtige toekomstplannen. Minister Ollongren heeft eerder gesproken over vloeibaar openbaar bestuur. Er is inderdaad samenwerking nodig om de grote opgaven op te pakken. Het mag echter niet zo zijn dat daarmee verantwoordelijkheden en bestuurlijke aansprakelijkheid afgeschoven worden en de democratische legitimiteit van besluiten op losse schroeven staat. Minister Ollongren noemde in haar Van Poeljelezing de Regionale Energiestrategieën die opgesteld worden. Die hebben een duidelijke omgevingscomponent, maar geen juridische status met bijbehorende waarborgen. De bedoeling is wel dat zo’n energiestrategie zijn weerslag gaat krijgen in omgevingsverordeningen en omgevingsplannen. In de nationale omgevingsvisie (Novi) worden de instrumenten omgevingsagenda’s en NOVI-gebieden genoemd. Bedoeld om samenwerking te stimuleren, maar ze staan niet in de Omgevingswet. Ik hoor graag hoe de minister gaat voorkomen dat bestuurders zich verschuilen achter hogere agenda’s en strategieën en dat de democratische legitimiteit door de toenemende interbestuurlijke samenwerking ook vloeibaar wordt.

Dan een aantal vragen over onderdelen van de wetgeving:

Voorbereidingsprocedure
De Tweede Kamer heeft een amendement aangenomen die het bevoegd gezag de mogelijkheid geeft om de uitgebreide voorbereidingsprocedure toe te passen in plaats van de kortere reguliere procedure. Die mogelijkheid is beperkt tot activiteiten die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben of waartegen verschillende belanghebbenden bedenkingen hebben. Die randvoorwaarden zijn voor meerdere uitleg vatbaar en kunnen snel een politieke speelbal worden. Deelt de minister de mening van de SGP dat het hier moet gaan om uitzonderlijke gevallen? Graag een nadere duiding.

Participatie
De Omgevingswet en de Omgevingsregeling bepalen na amendering door de Tweede Kamer dat bij aanvraag van een omgevingsvergunning aangegeven moet worden of en hoe sprake is geweest van overleg met de omgeving. De gedachte erachter is sympathiek, maar ik ben bang voor onduidelijkheid en onnodige ruis in de aanvraagprocedures. Om het even scherp te krijgen: Neem de casus van de plaatsing van een dakkapel. Het kan toch niet zo zijn dat hiervoor overleg gevoerd moet worden met de buren, laat staan dat instemming nodig is? Graag een nadere duiding.

Vergoeding schaduwschade
De SGP zet vraagtekens bij de wijze waarop het kabinet omgaat met schaduwschade en indirecte planschade. Het kabinet schuift het moment van bepaling van het waardeverlies en bijbehorende schadevergoeding van het planstadium naar het moment van vergunningverlening of actie. Daar bovenop komt niet een conservatieve schatting van het normaal maatschappelijke risico, een forfait van 2% , maar juist een verhoging van het standaardforfait naar 4%. De Raad van State is hier heel kritisch over. Een omgevingsvisie kan al zijn schaduw vooruit werpen en invloed hebben op de waarde van woningen en de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling. Een omgevingsplan nog meer. In de praktijk gaan burgers en bedrijven dus meer schaduwschade en indirecte planschade zonder vergoeding op hun bord krijgen.

De minister geeft aan dat het effect van het omgevingsplan op tussentijdse waardeschommelingen beperkt zal zijn. Over het algemeen zal dat best het geval zijn. In bijzondere gevallen kan dat echter anders liggen. Er zijn 355 gemeenten en miljoenen gebouwen. Dan kan dit aantal bijzondere gevallen nog best hoog liggen. De minister geeft aan dat het wenselijk is dat omgevingsplannen globaal ingevuld worden en dat vergoeding van planschade dit belemmert. Inderdaad. Punt is wel dat ook als een omgevingsplan op onderdelen wél concreet ingevuld wordt, je nog steeds geen recht hebt op schadevergoeding.

Is er geen middenweg denkbaar tussen de huidige situatie met een vergoeding voor indirecte planschade en een minimumforfait van 2% en de harde lijn van de minister, geen vergoeding van indirecte planschade en een forfait van 4%? Dit nog afgezien van de schaduwschade van omgevingsvisies. Wil de minister hier onderzoek naar laten doen? Vergeet niet dat het vooruitzicht op een redelijke tegemoetkoming de medewerking van partijen aan ruimtelijke ontwikkeling juist kan verbeteren, met bijbehorende versnelling!

Enkele vragen over de invoering:

Houdbaarheid provinciale omgevingsverordeningen
Er is discussie tussen juristen over de vraag of de provinciale omgevingsverordening al vóór het van kracht worden van de Omgevingswet voorbereid en vastgesteld mag worden. De een zegt dat het vaker op deze manier gebeurd. De ander zegt dat in dit specifieke geval de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is, maar dat die nog geen wettelijke basis heeft. In de schriftelijke ronde is hierover van gedachten gewisseld. Om het goed duidelijk te hebben: hoe kan de minister garanderen dat omgevingsverordeningen die vóór 1 januari 2021 vastgesteld worden niet vernietigd worden?

Oude bestemmingsplannen
Vanaf 2021 worden oude bestemmingsplannen bevroren en gaan als zodanig over naar het omgevingsplan. Stukje bij beetje worden de oude regels vervangen door de nieuwe omgevingsregels. Experts vragen zich af of gemeenten het aankunnen bij deze stap voor stap benadering steeds de gewenste integraliteit voor ogen te houden. De kans is groot dat ervoor gekozen wordt om nog snel voor 2021 allerlei planwijzigingen in gang te zetten en om na 2021 te gaan werken met afwijkvergunningen. Zou het niet beter zijn om gemeenten de ruimte te geven om het omgevingsplan grondig aan te pakken en in de tussentijd de mogelijkheid te houden om het oude bestemmingsplan aan te passen?

2021 haalbaar - DSO?
Tot slot. Een belangrijke vraag: is invoering per 1 januari 2021 haalbaar? Een belangrijke pijler van het nieuwe stelsel is het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Collega Verkerk gaat hier straks dieper op in, dus ik laat het bij een paar opmerkingen. Tijdens het laatste rondetafelgesprek werd aangegeven dat het Digitaal Stelsel Omgevingswet nog in een laboratoriumstadium is. Er is veel gedaan, maar er is ook vertraging en nog veel werk aan de winkel, zeker als je naar het ideale scenario wil waarin voor initiatiefnemers met een druk op de knop alle ruimtelijke informatie inzichtelijk is. Betrokkenen geven aan dat meer budget nodig is om het tot een goed einde te brengen. Er is ook oefentijd nodig voor gemeenten. Om het even op scherp te zetten: is de wens om op 1 januari 2021 van start te gaan niet teveel de vader van de gedachte? Waarom denkt de minister dat het verantwoord is, terwijl nog zoveel werk verzet moet worden? Komt er extra budget?

Goede bedoelingen zijn geen garantie voor goede resultaten. Bestuurders en managers willen nog wel eens een te zonnige bril opzetten. Ook de ambtenaren op de werkvloer en vergunning aanvragers moeten ermee uit de voeten kunnen. Graag zorgvuldigheid boven snelheid.