HomeActueelSGP: terroristen niet overmatig beschermen

SGP: terroristen niet overmatig beschermen

Publicatiedatum: 19 feb. 2019 | Eerste Kamer

"Overmatige rechtsbescherming voor terroristen is nergens voor nodig," dat zegt SGP-senator Diederik van Dijk. Lees hieronder zijn bijdrage en de motie die hij in de Eerste Kamer heeft ingediend.

"In het kader van deze derde termijn wil ik mij richten op een gedane toezegging (T02602) naar aanleiding van een motie van deze Kamer. En dat betreft het onderzoek naar de ambtshalve kennisgeving van de intrekking van het Nederlanderschap van jihadisten. Op grond van het inmiddels aanvaarde wetsvoorstel de ‘Wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met het intrekken van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid’ is de Minister verplicht tot het ambtshalve verrichten van een handeling die leidt tot rechterlijke toetsing van zijn eigen intrekkingsbesluit, ook wanneer de betrokken jihadist evident geen gebruik wil maken van zijn beroepsrecht of zelfs bezwaren zou hebben tegen het instellen van beroep.

In het betreffende debat heb ik dit een doorgeslagen vorm van rechtsbescherming genoemd. Het is ridicuul dat als het Nederlanderschap van een terrorist wordt afgenomen, de minister vervolgens zelf zijn eigen beslissing moet gaan aanvechten. Het gaat hier bijvoorbeeld over een persoon die onze Nederlandse samenleving haat, die zich heeft aangesloten bij IS en die dreigt terug te komen naar ons land om een aanslag te plegen. Omdat deze persoon te druk is met het doden van mensen in Syrië om in de Staatscourant te kunnen lezen dat zijn Nederlanderschap is afgenomen, moet de minister zijn eigen besluit maar gaan aanvechten. Dit getuigt echt van iets teveel empathie met dergelijke terroristen.

Een meerderheid van deze Kamer schaarde zich vervolgens achter mijn motie om te zoeken naar alternatieven voor deze bijzondere constructie. In opdracht van het ministerie heeft de Rijksuniversiteit Groningen een onderzoek verricht naar genoemde juridische constructie. Een helder geschreven rapport. Het rapport noemt het beroep van rechtswege een voor het bestuursrecht ongebruikelijke constructie.

Daarnaast schrijft het rapport klip en klaar dat er in juridisch opzicht geen doorslaggevende bezwaren zijn om het betreffende beroep van rechtswege te schrappen. Ik citeer: ‘Het EVRM noch het EU-grondrechtenhandvest vereisen voor intrekkingsbesluiten op grond van artikel 14 lid 4 RWN een procedure die met meer waarborgen is omkleed dan de reguliere beroepsprocedure van de AWB.’ Oftewel: de AWB biedt jihadisten al voldoende rechtsbescherming op dit punt.

Dit is een belangrijk punt, want in de Tweede Kamer waren juist de vermeende Europese vereisten voor de minister, dat was toen minister Van der Steur, een belangrijke reden om de voorgestelde constructie te verdedigen.

Ik citeer de minister: “We hebben hier te maken met een ingrijpende maatregel die onomkeerbaar is en die verstrekkende gevolgen heeft. Niet alleen vanuit die gedachtegang, maar ook vanuit de gedachtegang dat we aan de Europese waarborgen moeten voldoen, is er op dit punt een aantal maatregelen opgenomen in de wet, die ervoor moeten zorgen dat we aan die Europese waarborgen voldoen. Daarmee willen we de kans dat dit houdbaar is en standhoudt zo groot mogelijk maken.”

Let wel: De auteurs van het rapport schrijven dat het schrappen van het beroep van rechtswege in hun ogen niet wenselijk is vanwege het ingrijpende karakter van het intrekkingsbesluit. Maar dat is een politieke opvatting, geen juridische. Die politieke afweging moet gemaakt worden door kabinet en parlement.

De bewindspersoon doet het hele rapport van de RUG af met welgeteld één zin: "Het onderzoeksrapport geeft geen aanleiding tot aanpassing van artikel 22a van de Rijkswet op het Nederlanderschap." Verder geen enkele motivering of toelichting. Dit doet wel heel erg weinig recht aan het doorwrochte rapport uit Groningen, maar is ook volstrekt geen serieuze reactie op de motie van deze Kamer.

Daarom dien ik de volgende motie in:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende, dat de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) de Minister verplicht - indien hij besluit tot het intrekken van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid - tot het ambtshalve verrichten van een handeling die leidt tot rechterlijke toetsing van zijn eigen intrekkingsbesluit, ook wanneer de betrokkene evident geen gebruik wil maken van zijn beroepsrecht of zelfs bezwaren zou hebben tegen het instellen van beroep;

voorts constaterende dat de Eerste Kamer via motie 34356 (R2064) H de regering heeft verzocht een onderzoek te laten doen naar alternatieven voor deze in het bestuursrecht ongebruikelijke constructie van het verplichte ambtshalve beroep;

constaterende dat dit onderzoek, verricht door de Rijksuniversiteit Groningen, heeft uitgewezen dat er in juridisch opzicht geen doorslaggevende bezwaren zijn om het betreffende beroep van rechtswege te schrappen en dat de reguliere beroepsprocedure van de AWB reeds voldoende rechtsbescherming biedt;

overwegende dat het niet in de rede ligt om diegene van wie het Nederlanderschap is afgenomen op grond van artikel 14 RWN een extra vorm van rechtsbescherming te geven;

verzoekt de regering de voornoemde verplichting van de Minister - namelijk het ambtshalve verrichten van een handeling die leidt tot rechterlijke toetsing van zijn eigen intrekkingsbesluit – te heroverwegen en de Kamers hiervan vóór 1 september 2019 nader te informeren

en gaat over tot de orde van de dag.

Van Dijk
Baay
Schalk