HomeActueelStoffer: geen kostendwang bij Klimaatwet

Stoffer: geen kostendwang bij Klimaatwet

Publicatiedatum: 3 apr. 2019 | Tweede Kamer

“Behouden Nederlanders de vrijheid om zelf te beslissen over het wel of niet investeren in de verduurzaming van de eigen woning?” Dat is de vraag die SGP en Forum voor Democratie stellen aan minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat. SGP en FvD willen niet dat het klimaatbeleid mensen dwingt tot uitgaven die hun draagkracht te boven gaan.

SGP en FvD wijzen op de twijfel bij VNO-NCW en MKB-Nederland over de berekeningen bij het ontwerp-Klimaatakkoord. De gemiddelde investeringskosten per woning van het Planbureau voor de Leefomgeving waar het kabinet zich op baseert (15.000 euro) zijn aanzienlijk lager dan die van het Economisch Instituut voor de Bouw, de bouwers zelf dus (30.000). Dat wekt geen vertrouwen.

SGP-kamerlid Chris Stoffer: “We moeten echt voorkomen dat gezinnen en bedrijven verplicht worden tot dure investeringen, zeker als die hoger zijn dan voorgespiegeld. Om me heen hoor ik steeds meer mensen die vrezen dat ze door de uitvoering van de Klimaatwet veel minder te besteden hebben. Je kan wel beweren dat het geld in 10 à 15 jaar wordt terugverdiend, maar zeg dat maar eens tegen iemand van 70 met een klein pensioen.”

“Ik wil dat huishoudens en bedrijven de vrijheid houden om op basis van hun eigen draagkracht te kunnen beslissen wat ze wel of niet doen. Mensen dwingen tot het maken van hoge kosten mobiliseert alleen maar tegenstand en werkt dus averechts,” aldus het SGP-Kamerlid.

Lees hieronder de schriftelijke vragen van de Kamerleden Stoffer (SGP) en Baudet (FvD) aan de minister van Economische Zaken en Klimaat over de twijfels van het bedrijfsleven over de kosten van het klimaatbeleid:

1. Heeft u kennisgenomen van de twijfels en vragen van VNO-NCW en MKB-Nederland over de gehanteerde veronderstellingen en modelberekeningen bij het ontwerp-Klimaatakkoord (OKA) en de doorrekening ervan?
2. Deelt u de mening dat betrouwbare informatie en een integraal beeld van de haalbaarheid en betaalbaarheid van het klimaatbeleid essentieel zijn voor het draagvlak voor de energietransitie?
3. Waarom rekent het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) met een aanzienlijk lagere omvang van de gemiddelde investeringskosten per woning dan het Economisch Instituut voor de Bouw (15.000 versus 30.000 euro)?
4. Hoe robuust acht u het OKA-uitgangspunt van woonlastenneutraliteit, gezien de gerede twijfels over de kosten van het verduurzamen van woningen?
5. Wat gaat u doen om de lasten van de verduurzaming van de gebouwde omgeving voor huishoudens en ondernemers binnen de perken te houden?
6. Behouden woningeigenaren in de toekomst de vrijheid om te beslissen over investeringen in verduurzaming van hun woning?
7. Waarom zijn een aantal maatregelen met een significante impact op de CO2-reductie in de industrie, zoals het subsidiëren van nieuwe technieken met SDE++ en het beschikbaar stellen van extra SDE++-budgetten bij achterblijvende reductie, niet meegenomen in de doorrekening van het PBL?
8. Wat is het effect als deze maatregelen wel worden meegenomen?
9. Wanneer komt u met de uitwerking van deze maatregelen, zodat de CO2-reductie hiermee alsnog kan worden behaald?
10. Wat is de oorzaak voor de relatief lage inschatting van de hoogte van de investeringskosten voor de industrie door het PBL ten opzichte van de inschatting door Navigant?
11. Wat gaat u doen om de investeringskosten voor verduurzaming in de industrie binnen de perken te houden?
12. Wat gaat u doen om het draagvlak voor de energietransitie onder burgers en bedrijven te vergroten?
13. Bent u, gezien de verschillende vraagtekens bij de doorrekening van het PBL en het belang van voldoende draagvlak voor de energietransitie, bereid meer inzicht te (laten) geven in de berekeningen en aannames van het PBL?