HomeActueelZetje in de goede richting

Zetje in de goede richting

Publicatiedatum: 26 okt. 2017 | Tweede Kamer

“Al jaren belijdt iedere partij en iedere politicus dat overbodige regels moeten worden afgeschaft en de bureaucratische rompslomp minder moet worden. Maar nog steeds wordt het onderwijs onnodig ingesnoerd. Bij het begin van dit nieuwe kabinet wil ik meteen een zetje geven in de goede richting.”

Dat zegt SGP-Kamerlid Roelof Bisschop als toelichting op schriftelijke vragen die hij op de eerste dag van het derde kabinet-Rutte afvuurt op de ministers voor Onderwijs en van Binnenlandse zaken, Slob en Ollongren. Bisschop noemt als voorbeelden de richtlijnen van het ministerie van Onderwijs en de Wet normering topinkomens.

Bij de invoering van de Wet normering topinkomens werden de administratieve lasten geraamd op € 75,- per jaar. In de praktijk blijkt het te gaan om bedragen die oplopen tot € 7500,- per jaar. De wet is, mede door de overgangsregelingen, zó complex dat de helpdesk van de overheid niet eens in staat is om een goed antwoord te geven.

De controlezucht loopt soms uit de hand. De richtlijnen voor het jaarverslag zijn voor een basisschool met 100 leerlingen even uitvoerig als voor een universiteit met 45.000 studenten. Bisschop: “Dat is buiten alle proporties en kan echt anders. De SGP wil de komende kabinetsperiode niet alleen goed opletten, maar als het moet ook komen met schrapwetten. Eens kijken of Rutte 3 eindelijk scholen, bedrijven en zorginstellingen verlost van ergerniswekkende regels en overbodig werk.”

Schriftelijke vragen van het lid Bisschop (SGP) aan de minister voor primair en voortgezet onderwijs en de minister van Binnenlandse zaken:

  1. Bent u bekend met het artikel ‘Onderwijs raakt in de knel door complexe regelgeving?’ (Zicht, oktober 2017). 
  2. Klopt het dat de richtlijnen voor de jaarverslaggeving voor een basisschool met 100 leerlingen en een universiteit met 45.000 studenten hetzelfde zijn? Zo ja, bent u bereid in de regels rekening te gaan houden met de schaalgrootte van instellingen?
  3. Wat is uw reactie op de constatering dat de administratieve lasten bij invoering van de Wet normering topinkomens geraamd zijn op 75 euro per instelling per jaar, maar dat in de praktijk blijkt dat daar gerust twee nullen achter gezet kunnen worden? Vindt u het acceptabel wanneer zoveel geld aan de uitvoering van dit systeem besteed moet worden?
  4. Hoe reageert u op de constatering dat de Wet normering topinkomens mede door de stapeling van overgangsregelingen overmatig complex is geworden? Hoe kan van instellingen verwacht worden dat zij dit systeem adequaat toepassen als de helpdesk van de overheid in bepaalde gevallen nauwelijks in staat is passende antwoorden te vinden?
  5. Onderkent u dat het risico op grensverleggend gedrag wanneer regels worden gemaakt waarop bij schending niet een echte sanctie bestaat? Welke procedure wordt gevolgd wanneer instellingen bij herhaling in de fout gaan?