HomeStandpuntenAbortus Provocatus

Standpunten

Abortus Provocatus

Door de echoscopie zien we nu beter dan ooit dat een foetus van twaalf weken geen klompje cellen is, maar een klein mensje met alles erop en eraan. En het hartje kun je al vanaf de vijfde week horen kloppen. Dit weerloze ongeboren leven in de moederschoot, dat vanaf het allerprilste begin beschermwaardig is, verdient dan ook wettelijke bescherming. Om die reden moet de ‘Abortuswet’ worden ingetrokken. Zolang dat (nog) niet gebeurd is, moet de overheid alles op alles zetten om het aantal abortussen te verminderen. Elke abortus is er een teveel.

Wetgeving en beleid

  • Het begrip ‘noodsituatie’ moet scherp worden afgebakend.
  • Dankzij medische innovaties kunnen kinderen die te vroeg geboren worden, nu ook al voor de 24 weken met goede zorg in leven blijven. De 24-wekengrens is daarmee achterhaald en moet naar beneden worden bijgesteld.
  • In het overgrote deel van de gevallen is abortus medisch niet noodzakelijk. Van financiering uit de publieke middelen kan dan ook geen sprake zijn. Zolang dit nog niet geregeld is, wordt de bekostiging zo ingericht dat er geen prikkel is om zoveel mogelijk geld te verdienen aan abortussen.
  • Er is geen verschil tussen de zogenoemde overtijdbehandeling en een abortus. Daarom moet ook de beraadtermijn voor beiden ten minste vijf dagen zijn.
  • Veel ongewenste zwangerschappen komen voort uit instabiele relaties. De overheid moet daarom gezonde (seksuele) relaties stimuleren, om zo het aantal abortussen terug te dringen.
  • In de nieuwe evaluatie van de Abortuswet moet nadrukkelijk aandacht geschonken worden aan het beter beschermen van het ongeboren kind, de relatie tussen relationele problemen en het ontstaan van ongewenste zwangerschappen, de mogelijke risico’s van een abortus voor de gezondheid van een vrouw en de maatregelen die noodzakelijk zijn om het aantal abortussen terug te dringen.
  • De druk vanuit de omgeving op een vrouw om te kiezen voor een abortus kan groot zijn. Het uitoefenen van druk op een vrouw om een abortus te ondergaan, wordt daarom strafbaar.

Hulpverlening

  • Goede voorlichting is nodig. Iedere zwangere vrouw die een abortus overweegt krijgt daarom onafhankelijke, deskundige voorlichting buiten de abortuskliniek aangeboden, door gespecialiseerde hulpverleners.
  • Alle vrouwen krijgen informatie over speciaal op hun noodsituatie afgestemde alternatieven voor abortus. Alternatieven als adoptie, pleegzorg, financiële ondersteuning, het regelen van huisvesting en opvang moeten nadrukkelijk verkend worden met iedere vrouw die hulp zoekt. De Inspectie moet op de naleving hiervan streng toezien.
  • Alle vrouwen moeten geïnformeerd worden over de mogelijke negatieve emotionele, psychische en fysieke problemen en klachten na een abortus en de risicofactoren die de kans daarop verhogen.
  • Ongewenst zwangere vrouwen krijgen voortaan schriftelijke informatie mee waarin de tijdens het voorlichtingsgesprek besproken zaken worden samengevat. Daarmee wordt de beraadtermijn ook écht een tijd van bezinning.
  • De (na)zorg aan vrouwen en meisjes die een abortus hebben ondergaan en van vrouwen en meisjes die kiezen voor het uitdragen van de zwangerschap, moet worden verbeterd. Te denken valt aan meer psychische ondersteuning en het werken aan oplossingen voor de noodsituatie van de vrouw, die na een abortus vaak nog steeds bestaat. De SGP stelt extra geld voor dit doel beschikbaar.
  • Om de hulp aan vrouwen in nood voortdurend te kunnen verbeteren, is het nodig om de redenen te registreren waarom onbedoeld zwangere vrouwen hun zwangerschap willen afbreken.

Omgang met beperkingen

  • De VN-verdragen over de rechten van het kind en over de rechten van personen met een handicap gaan uitdrukkelijk óók over het ongeboren leven. Abortus vanwege een gevreesde handicap is dan ook ontoelaatbare discriminatie van gehandicapt leven. De overheid heeft juist de taak om de acceptatie van mensen met een beperking te bevorderen.
  • Prenataal onderzoek ontaardt in de praktijk steeds vaker in prenatale selectie. Dat zien we onder meer bij de selectie op het Downsyndroom. Daarom willen we dat met dit onderzoek erg terughoudend omgegaan wordt. Zolang abortus is toegestaan mag prenataal onderzoek (zoals de NIP-test en de 20-wekenecho) pas na afloop van de abortustermijn plaatsvinden, tenzij er goede prenatale behandelingen zijn om een beperking vroegtijdig te voorkomen of te genezen. Prenatale testen worden niet kosteloos aangeboden.
  • Aan ouders bij wie geconstateerd is dat hun kindje mogelijk een beperking of een handicap heeft, moet betere informatie worden aangeboden. Zij moeten duidelijke voorlichting meekrijgen waarin objectieve en volledige informatie gegeven wordt over de waarde van gehandicapt leven, de ondersteuningsmogelijkheden bij de opvoeding en de eventuele behandelmogelijkheden.
  • De SGP stelt geld beschikbaar voor prenatale geneeskunde. Te denken valt aan de ontwikkeling van een 3D-printer waarmee een ongeboren kind met een open rug al vóór de twintigste week van de zwangerschap in de baarmoeder geopereerd kan worden.

Internationaal

  • Abortus is geen ‘exportproduct’. Abortusboten of mobiele klinieken krijgen geen vergunning en al afgegeven vergunningen worden ingetrokken.
  • Nederlandse en Europese subsidies aan organisaties die abortus internationaal promoten of uitvoeren, worden geschrapt. Het geld dat daarmee beschikbaar komt, wordt gebruikt om de hulpverlening aan onbedoeld zwangere vrouwen te verbeteren.
  • Het is vreselijk dat in landen als China en India op grote schaal sprake is van het doden van geboren meisjes of het aborteren van ongeboren meisjes, enkel en alleen omdat zij een meisje zijn. De regering moet het aangenomen voorstel van de SGP om deze gendercide te bestrijden voortvarend uitvoeren.
  • Nederland moet zich inspannen om de internationale handel via internet met erfelijk menselijk materiaal te bestrijden.