Standpunten

Doodstraf

Het vaststellen en opleggen van een bepaalde straf is een zaak van de rechtsprekende macht. Dit laat echter onverlet, dat de SGP bij ernstige levensdelicten het opleggen van de doodstraf door een wettige overheid een legitieme straf vindt. Niet uit populistische bloeddorstigheid, maar omdat de overheid geroepen is het kwaad op gepaste wijze te bestraffen.
De doodstraf wordt door de meeste Nederlandse politici categorisch afgewezen. Als Osama Bin Laden in Nederland zou zijn opgepakt, zou hij niet aan de VS worden uitgeleverd, omdat de doodstraf daar een mogelijke straf is. In het licht van massamoorden, oorlogsmisdaden en terroristische aanslagen, is zo’n houding onbegrijpelijk.

De visie van de SGP op de doodstraf berust op wat de Bijbel zegt over de roeping, die de overheid heeft tot herstel van het geschonden recht. De mens is geschapen naar het beeld van God. Vanuit dit vertrekpunt - de hoge waardigheid van de mens als beelddrager van God - volgt dat de overheid (rechter) gerechtigd is om bij ernstige levensdelicten de doodstraf toe te passen.

De opvattingen van de SGP stroken op dit punt met de bijbelse bepalingen over de zwaardmacht van de overheid. Het is veelzeggend dat vooral sinds de Verlichting aan deze opvatting wordt geknaagd. Onder invloed van het vooruitgangsgeloof van de Verlichting werd de doodstraf als barbaars van de hand gewezen. Bovendien ontstond er een optimistisch vertrouwen in de mogelijkheid tot aardse perfectionering van de mens. Deze gedachten hebben hun doorwerking gekregen in het denken over de legitimiteit van de doodstraf.

De visie van de SGP op de doodstraf heeft dus alles te maken met de hoge waarde die zij aan het menselijk leven toekent. De hoge waarde van het leven brengt voor de SGP met zich, dat zij tegen abortus en euthanasie is, maar óók dat zij voorstander is van de doodstraf. Bij een bewust vergrijp tegen het menselijk leven, kan de hoogste straf gerechtvaardigd zijn.

Rechtspreken blijft mensenwerk. Dat geldt bij het opleggen van een langdurige celstraf, maar ook bij het opleggen van de doodstraf. Daarom mag het opleggen van deze straf alleen mogelijk zijn onder strikte voorwaarden en op basis van een eerlijk en onafhankelijk proces. Daderschap en schuld moeten onomstotelijk vaststaan.

Verdachten van ernstige misdrijven, zoals terrorisme, moeten kunnen worden uitgeleverd aan landen die de doodstraf kennen, ervan uitgaande dat het om goed functionerende rechtsstaten gaat.