Standpunten

Onderwijs

Jong geleerd is oud gedaan. Daarom sturen we onze kinderen al vroeg naar school. Degelijk onderwijs is een onmisbaar voorrecht. Het helpt jongeren om op eigen benen te gaan staan en hun weg door het leven te gaan. In het onderwijs maken we op allerlei manieren kennis met cultuur en samenleving. Dat kunnen we niet uit onszelf. Anderen dragen kennis en vaardigheden, waarden en normen aan ons over. Leren begint met aannemen op gezag van buiten, namelijk het gezag van de onderwijzer. Wie niet wil leren, is onhandelbaar. Ook de wetgever heeft dit onderkend. Leren is daarom een wettelijke plicht.

Het maakt natuurlijk wezenlijk verschil of het onderwijs goed of slecht is. De SGP gelooft dat onderwijs goed is wanneer het gericht is op een leven zoals dat in de Bijbel wordt geleerd. Daarom wenst de SGP iedere leerling een school met de Bijbel toe. Het past de mens wanneer hij luistert naar zijn Schepper. We geven daarmee aan dat we over het goede leven niet zelf de wijsheid in pacht hebben, maar dat we bereid zijn om te leren. Wie dit niet wil, doet God, zichzelf en medemensen tekort.

Onderwijs en opvoeding zijn nauw met elkaar verbonden. In het onderwijs vindt die vorming plaats waar het gezin meestal niet voor is toegerust. En zoals de levensovertuiging de opvoeding doortrekt, gebeurt dat ook in het onderwijs. Het is daarom van belang dat het onderwijs op school goed aansluit bij de overtuiging van ouders. Zij moeten hun kinderen met een gerust hart naar school kunnen sturen. Ook christelijke ouders. Dat de overheid niet kiest voor een school met de Bijbel, betekent niet dat ouders die keuze onthouden mag worden. Alle ouders dragen immers bij aan het onderwijs door belasting te betalen.

Minder overheid, meer school

De overheid draagt zorg voor het onderwijs, maar kan goed onderwijs niet regelen. Onderwijs kan alleen bloeien als scholen en leraren voldoende ruimte krijgen om hun werk te doen, in samenspraak met ouders. Het is niet de bedoeling dat de overheid scholen en leraren voor de voeten loopt. De overheid moet de neiging onderdrukken om scholen de les te lezen en leraren voor te schrijven hoe het onderwijs het beste gegeven dient te worden. Goed onderwijs begint met vertrouwen in de kracht van leraren.

Leraren die de ruimte krijgen, moeten die ruimte natuurlijk ook goed weten te benutten. Scholing van leraren verdient daarom de hoogste prioriteit. De status van het leraarschap moet bovendien verbeteren. Het beeld dat je zelfs met een minimum aan scholing altijd nog in het onderwijs terecht kunt, moet verdwijnen. De overheid dient daarom om haar beurs te trekken om het aantal vakbekwame leraren de komende jaren stevig te vergroten.

Concreet:

  • De periodieke actieplannen voor de verschillende onderwijssectoren worden tot het strikt noodzakelijke beperkt. Subsidies voor specifieke regelingen en projecten worden zoveel mogelijk voorkomen.
  • De overheid dient zeer terughoudend te zijn met het voorschrijven van verplichte instrumenten en methoden. Uniforme eindtoetsen, diagnostische toetsen en het opbrengstgericht werken worden geannuleerd.
  • Scholen die door een vereniging worden bestuurd, krijgen vrijstelling van de medezeggenschapsverplichtingen.
  • De mogelijkheden voor het gebruik van de lerarenbeurs worden vergroot.
  • Leraren die hun eerstegraads bevoegdheid hebben, krijgen recht op een hogere salarisschaal.
  • De wettelijke mogelijkheden om onbevoegde en onbekwame leraren voor de klas te zetten worden de komende jaren geleidelijk afgeschaft.
  • Het eigen karakter van kleuterperiode wordt sterker benadrukt. De specialisatie ‘jonge kind’ binnen de pabo wordt verdiept. Daarbij wordt ook het overladen onderwijsprogramma aangepakt.

Vrijheid van onderwijs

Nederland heeft gelukkig een bijzonder onderwijssysteem. De overheid is in ons land niet de enige partij die scholen in stand houdt. Scholen die door ouders zijn opgericht, de zogenaamde bijzondere scholen, worden ook bekostigd. Dat is een mooi en belangrijk uitgangspunt. Het geeft namelijk aan dat onderwijs een wezenlijk belang van ouders is. De verantwoordelijkheid van ouders voor het onderwijs is een goede zaak. De betrokkenheid bij de school is dan vaak groot. Die betrokkenheid en verantwoordelijkheid zijn broodnodig en moeten we koesteren.

In de identiteit van bijzondere scholen schuilt hun kracht. Het is daarom vanzelfsprekend dat we bijzondere scholen ruimte bieden om hun identiteit te kunnen bewaren. Bijzondere scholen kunnen bijvoorbeeld eisen stellen aan leraren en leerlingen. Het zou een vreemde gang van zaken zijn wanneer scholen personen moeten toelaten die niet bij hun identiteit passen. Dergelijke dwang leidt tot niets anders dan slechte verhoudingen. De overheid zal de vrijheid van scholen dus moeten garanderen.

Concreet:

  • De vrijheid van onderwijs moet versterkt worden.
  • Scholen moeten bij de aanstelling van personeelsleden en het toelaten van leerlingen een beleid kunnen voeren in overeenstemming met grondslag en doel van de school. Scholen behouden de ruimte om van (de ouders van) leerlingen te vragen de grondslag van de school te onderschrijven.
  • De wettelijke bevoegdheden voor de onderwijsinspectie worden versoberd. Onderdelen van het toezichtkader die op gespannen voet staan met de didactische vrijheid van scholen, worden geschrapt.
  • De overheid draagt er zorg voor dat de positie van kleine en bijzondere scholen in de samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs niet onder druk komt te staan.
  • Communicatie is in het onderwijs van fundamenteel belang. Het dragen van gezichtsbedekkende kleding mag daarom in het onderwijs niet toegestaan worden.
  • Schoolbesturen moeten hun zaakjes op orde hebben. De overheid geeft een krachtig signaal af dat besturen bij financieel wanbeleid hun eigen boontjes moeten doppen. Uiteraard mogen leerlingen niet de dupe worden.

Doelgericht onderwijs

Goed onderwijs is kernachtig en doelgericht. Onderwijs bereidt leerlingen voor om aan de samenleving deel te nemen en hun beroep uit te oefenen. De school staat midden in de samenleving. Dat gegeven heeft natuurlijk consequenties. Problemen met en zorgen over leerlingen verdienen aandacht. Dat zijn problemen voor het onderwijs. Daarnaast bestaat echter ook de neiging om maatschappelijke problemen bij de school neer te leggen. Dat is vooral gebleken met de onderwijsvernieuwingen. Maatschappelijke behoeften werden aan de school opgelegd, zoals aandacht voor fatsoen en het kweken van gemeenschapszin. Die aanpak miskent in wezen het probleem. De school is geen maatschappelijke vlekkenreiniger. En hoe nobel de intenties ook kunnen zijn, het eigenlijke onderwijs kan er door in het gedrang komen. Voor de oplossing bestaan bovendien veel betere alternatieven. Versterking van gezinnen bijvoorbeeld.

Concreet:

  • De verplichting om afzonderlijke burgerschapsvorming te geven moet worden afgeschaft. Een normale school doet vanzelfsprekend aan burgerschapsvorming.
  • Scholen maken leerlingen bewust van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Zij kiezen hiervoor zelf hun middelen, bijvoorbeeld een maatschappelijke stage.
  • De eisen voor het verkrijgen van een gymbevoegdheid zijn voor (beginnende) leraren een te grote belasting; de omvang van de gymopleiding wordt beperkt.
  • Scholen blijven uitsluitend verantwoordelijk voor onderwijs. Neventaken als buitenschoolse opvang worden afgestoten.

Brede vorming

Kernachtig onderwijs is overigens geen beperkt onderwijs. In het onderwijs vindt cultuuroverdracht plaats. Het gaat in het onderwijs om een brede vorming van leerlingen met het oog op hun deelname aan de samenleving. In het onderwijs komen alle elementen aan bod die hiervoor nodig zijn. Het gaat om uiteenlopende onderwerpen als taalvaardigheid en kennis van maatschappij en geschiedenis. Soms vraagt het onderwijsprogramma ook om een kleine aanpassing. Omgang met de media is in deze tijd bijvoorbeeld erg belangrijk. Maar alle onderwijselementen vormen een ondeelbaar geheel.

Taal en rekenen zijn een belangrijk onderdeel van het onderwijs. Ze vormen de basis voor de ontwikkeling van het onderwijsprogramma. In lerarenopleidingen is dat natuurlijk van bijzonder belang. De aandacht hiervoor moet worden vastgehouden. Onderwijs is desondanks meer dan rekenen en taal. Door eenzijdige aandacht voor rekenen en taal, verliezen we de waarde van brede vorming en de schoolcultuur uit het oog. We moeten dus voorzichtig zijn met scholen enkel te beoordelen op hun resultaten voor rekenen en taal.

Onderwijs is bij uitstek een sociaal en cultureel gebeuren. Onderwijs geven is geen productieproces. Dat betekent dat resultaten niet zo makkelijk op formule zijn te zetten of volledig objectief te meten. Resultaten hebben vooral een functie binnen de school. Helaas wordt steeds vaker in economische termen over onderwijs gesproken. De nadruk valt steeds meer op opbrengsten en het afrekenen van scholen. Daar moeten we voorzichtig mee zijn. Het is met name van belang dat leraren oog hebben voor de uiteenlopende ontwikkeling van leerlingen in hun klas. De komende jaren moet de overheid daarom investeren in vakbekwaamheid van leraren.

Concreet:

  • Scholen moeten, op hun eigen manier, aandacht besteden aan media-educatie.
  • Resultaten voor rekenen en taal dienen als kwaliteitsaspect voor de onderwijsinspectie, maar kunnen geen wettelijke bekostigingsvoorwaarde zijn.
  • De leerlijn van basis- naar voortgezet onderwijs dient verbeterd te worden; basisscholen moeten de eindresultaten van leerlingen doorgeven op basis van een door hen gekozen, erkende toets.

Gedegen beroepsonderwijs

Het beroepsonderwijs is een belangrijke schakel in onze samenleving en economie. Hier worden kundige vakkrachten opgeleid die in allerlei sectoren nodig zijn. Het karakter van het beroepsonderwijs verschilt wezenlijk van bijvoorbeeld hoger onderwijs. Daar moeten we oog voor hebben en houden. Bij de onderwijsvernieuwingen werd het beroepsonderwijs te theoretisch benaderd. Het is een goede ontwikkeling dat er in het voorbereidend en middelbaar beroepsonderwijs nu weer meer aandacht is voor het kweken van vakmanschap. Die ontwikkeling verdient stimulans. Ook de overgang tussen deze schoolsoorten moet verstevigd worden. Jaarlijks vallen teveel leerlingen uit.

Onderwijsvernieuwing gaat het beroepsonderwijs niet voorbij. In het (middelbaar) beroepsonderwijs is het competentiegericht onderwijs ingevoerd. Daarin staan zelfstandigheid en integrale vaardigheden centraal. Dat zijn op zich goede punten, waar in het verleden te weinig aandacht voor was. Toch blijft een kritische houding nodig. De inhoudelijke vakbekwaamheid moet voldoende uit de verf komen. De nadruk op zelfstandigheid zal bovendien realistisch moeten zijn. Veel leerlingen hebben behoefte aan daadwerkelijk onderwijs en instructie via contacturen en kunnen zelfstandigheid nog niet goed aan, vooral in de eerste leerjaren. De rol van de leraar blijft onmisbaar.

Concreet:

  • Onderwijsprogramma’s waarin voorbereidend en middelbaar beroepsonderwijs samenwerken moeten verder worden gestimuleerd, evenals vakscholen.
  • Gegarandeerd moet worden dat een voldoende aantal uren beschikbaar is voor loopbaanbegeleiding.
  • Het aantal kwalificatiedossiers moet verder worden beperkt en de hoeveelheid competenties moet worden teruggedrongen.
  • Voortdurende aanpassing van de inhoud van kwalificatiedossiers moet worden tegengegaan. Er komt een vast moment waarop nieuwe versies worden doorgegeven.

Stimulerende kenniscultuur

Het in stand houden van een uitdagende kenniscultuur is een belangrijk streven in een moderne samenleving. Allereerst is van het groot belang dat verworven inzichten worden overgedragen aan nieuwe generaties. Bovendien wordt op de meest uiteenlopende terreinen gezocht naar nieuwe en diepere inzichten om problemen en uitdagingen in onze samenleving te lijf te gaan. Het hoger onderwijs draagt hier een belangrijk steentje aan bij. Daar worden immers de studenten gevormd die zich aan het onderzoek zullen gaan wijden. Een stimulerende cultuur is voor het realiseren van kennisambities onmisbaar.

De afgelopen decennia is het hoger onderwijs enorm gegroeid. De aantallen studenten zijn fors toegenomen. Het is echter niet realistisch om te veronderstellen dat de intelligentie evenredig is gestegen. Verschil in niveau tussen studenten wordt steeds meer merkbaar. Daarom is het goed om meer onderscheid aan te brengen binnen het hoger onderwijs. Dictaat door de middelmaat moet bestreden worden. Uitgangspunt blijft wel dat de basis voor iedereen toegankelijk is. Vooral in de fase na de bacheloropleiding zijn er meer mogelijkheden om kwaliteitsverschil tussen studenten zwaarder te laten wegen. Het mag duidelijk zijn dat de basisvaardigheden van scholieren bij het betreden van het hoger onderwijs wel op peil dienen te zijn.

Onderwijs en onderzoek zijn nauw verweven. Toegepast en fundamenteel onderzoek komt tot stand aan respectievelijk hogescholen en universiteiten. Het is van belang om de diversiteit aan onderzoeksdisciplines tot zijn recht te laten komen. De sectoren alfa, bèta en gamma verdienen evenveel aandacht. Ze hebben ieder hun eigen waarde voor de samenleving. Om de continuïteit van onderzoek te kunnen bewaren is een stabiele basis nodig, ook in financieel opzicht. Daarin zal de overheid de komende jaren moeten investeren.

Concreet:

  • Tussen voortgezet en hoger onderwijs worden afspraken gemaakt over het minimumniveau van taal- en rekenvaardigheid. Een verplichte taal- of rekentoets kan als overgangsmaatregel dienen.
  • Instellingen voor hoger onderwijs kijken kritisch naar de instroom van studenten in de bachelor en voeren met het oog daarop intakegesprekken.
  • De lengte van masters wordt uitgebreid naar twee jaar en er komen topuniversiteiten. Hierbij is selectie van studenten mogelijk op basis van kwaliteit. Voor deze masters zijn studiebeurzen beschikbaar, waarbij in ieder de opleidingen in het sector bèta en techniek ruim aan bod komen.
  • Het collegegeld voor de master kan worden gedifferentieerd als daar een extra toegevoegde waarde voor de student tegenover staat. Dit mag niet leiden tot een beperktere toegankelijkheid van het onderwijs, wat gerealiseerd wordt door voor dit deel leningen te verstrekken onder voor de student gunstige voorwaarden (lange terugbetalingstermijn, lage rente).
  • Directe financiering aan universiteiten (‘eerste geldstroom’) dient versterkt te worden.